Rond 1970 had ik het geluk dat mijn basisschool z’n tijd ver vooruit was. Verschillen in talenten, capaciteiten, persoonlijke interesses en voorkeuren van kinderen waren méér dan welkom. Waar mogelijk zelfs bevestigd als een vernieuwende norm, die haaks stond op hoe het onderwijs zich na de oorlog had ontwikkeld. Zo ontdekten we spelenderwijs dat al die geaccepteerde verschillen tussen kinderen juist voedingsbodem bleken voor een fijne sfeer, in plaats van ballast. Ruim 30 jaar later hoorde ik tijdens een reünie: “In onze klas hoorde echt iedereen er bij…!” Die schooljaren zullen me altijd bij blijven. Dankzij die sterke sociale verbondenheid was naar school gaan bijna een feestje. Wat heb ik diep betreurd dat ik die school moest verlaten, toen ik zes jaar had doorlopen.

Het was één van de allereerste Jenaplanscholen in die jaren. Waar volop ruimte was voor experimenteren, juist dankzij de bandbreedte van een grote diversiteit aan leerlingen met totaal verschillende achtergronden. Van kinderen die bijvoorbeeld goed waren in taal werd verwacht dat ze anderen die moeite hadden met lezen en schrijven, hielpen. Hetzelfde gold voor rekenen en andere belangrijke vakken. Kwalificaties als ‘slimmer’ of ‘dommer’ bestonden niet op die school. Van ieder kind, hoe beperkt of begaafd ook, werd benadrukt dat juist die uitzonderlijke combinatie van kwaliteiten en beperkingen hem/haar uniek maakt. Enig en prachtig in z’n soort.

En zo had de grondlegger van Jenaplan, de Duitse pedagoog Peter Petersen, het precies bedoeld toen hij zijn baanbrekende visie op onderwijs vorm gaf. Uniciteit en diversiteit als belangrijkste meerwaarde voor de ontwikkeling van een kind.

Nieuwe norm

Zo werd bekrachtiging van diversiteit in aanleg en capaciteiten een nieuwe ethiek waarmee ik opgroeide. En toch zat ik zeker niet op een luxe, wereldvreemde school ergens in een stedelijke omgeving. Mijn school stond gewoon in een groeidorp op het platteland, waar een aanzienlijk deel van de bevolking boer was. Agrariër, zoals het tegenwoordig heet. De organische vermenging van de autochtone (boeren)bevolking met de importmensen die zich in het dorp vestigden, verliep moeiteloos. Allerlei sociale klassen kwamen samen op die ene school en raakten vertrouwd met elkaar. Zeker, gewoonten en voorkeuren konden aanzienlijk verschillen. Maar leidden nooit tot afkeer van het andere, dat hooguit onbekend was, maar in zichzelf gelijk van waarde.

Zo kwamen er twee Indonesische jongens op school. Behalve hun huidskleur, die welkom was als een interessante aanvulling op wat wij kenden, werden ook hun gewoonten soepel geaccepteerd. Voor zover ze al anders waren dan de onze. Zo droeg de ene in kille jaargetijden graag een pyamabroek onder zijn kleding. Omdat hij het altijd zo bitter koud had, in ons kikkerlandje. Niemand vond dat raar of afwijkend. Integendeel. Het duurde niet lang of ook twee autochtone jongens droegen ’s winters een pyamabroek als extra…. Omdat ze vanaf dat moment niet bezorgd hoefden zijn dat ze werden gezien als een ‘watje’, alleen omdat ze wat kouwelijker waren dan gemiddeld. De andere Indonesische jongen kon zingen als een nachtegaaltje, en zat in de lente graag met een paar meisjes op het schoolplein halskettinkjes te vlechten van madeliefjes. Het woord ‘meiden’ bestond nog niet in die dagen. Dat kwam pas in de jaren ’90, op de kille golven van het no-nonsensedenken, overgewaaid uit Amerika. Meisje werd ineens ‘meid’ en kinderen heetten plots ‘kids’….

Zijden sjaaltje…

In mijn middelbare schooltijd kwam de vanzelfsprekenheid van diversiteit nog sterker tot bloei. Zo droeg mijn beste schoolvriend in die jaren ’70 een zijden sjaaltje onder zijn trui. En maakte hij soms gebruik van mascara en eyeliner om de lengte van zijn wimpers te benadrukken. Iets wat populair was in een deel van de toenmalige popcultuur.

In tekenen en schilderen blonk hij uit als geen ander, en dus koos hij tekenen in zijn vakkenpakket. Een honorering van creativiteit als gave, die net mogelijk was geworden in die dagen. En dus werd hij later in zijn leven een gevierd grafisch ontwerper met landelijke bekendheid. Toch kwam destijds nooit iemand van ons op het idee zijn gedrag te interpreteren als zou hij wellicht een andere geaardheid hebben dan wij. Net zo min als bij de Indonesische jongen die graag madeliefjes tot halskettinkjes reeg. De bandbreedte in wat gold als algemeen geaccepteerd was zo ruim, dat iedereen zichzelf kon zijn op school. Want naast hem met z’n zijden sjaaltje, mascara en verfijnde manieren, zat evenzo vrolijk een onverschillige punker in de schoolbank met legerlaarzen en opgestoken hanenkam.

Kort lontje

Op diezelfde school zat ook een ambitieus pubermeisje met een sterk rechtvaardigheidsgevoel, dat zich opvallend stoer en jongensachtig gedroeg. Nogal hyper kon zijn, en bovendien behept was met een kort lontje. Zo kon het eens gebeuren dat zij in een escalerend conflict met een leraar in een klaslokaal enkele rake klappen uitdeelde, hetgeen zijn gezag niet ten goede kwam…. Dat laatste viel natuurlijk buiten de geaccepteerde bandbreedte, en dus werd ze van school gestuurd. Maar niemand kwam op het onzalige idee haar aan te praten dat ze misschien wel in een “verkeerd lichaam” geboren was. Ook pubermeisjes hadden temperament en soms meer testosteron dan hun lief was. Later heeft ze het ver geschopt in allerlei maatschappelijke functies. Waarin ze de publieke zaak voorbeeldig diende en onvermoeid ten strijde trok tegen sociaal onrecht.

Zo heb ik mijn hele leven mensen om me heen gezien die méér of juist minder konden beschikken over hun mannelijke danwel vrouwelijke eigenschappen. Althans meer of minder dan “gemiddeld” gebruikelijk is. Velen van hen waren een stimulerend rolmodel voor me in de ontwikkeling van mijn eigen identiteit als mens.

Anima en animus

In de dieptepsychologie van de Zwitserse psycholoog en psychiater Carl Gustav Jung wordt deze innerlijke opbouw van de menselijke psyche aangeduid met de begrippen anima en animus. Ofwel het unieke samenspel van typisch ‘vrouwelijke’ en typisch ‘mannelijke’ eigenschappen, die iemand pas helemaal mens maken. Bij ‘vrouwelijkheid’ gaat het dan om eigenschappen als bijv. invoelendheid, creativiteit, zorgzaamheid, spontaniteit en intuïtie. Terwijl bij ‘mannelijkheid’ eerder gedacht wordt aan kenmerken als rationaliteit, ambitie, slagvaardigheid, gevoel voor logica of techniek.

Volgens Jung is uiteindelijk ieder mens geroepen om die (latent) aanwezige eigenschappen over de volle breedte te omarmen en ontwikkelen. Dus om toe te werken naar acceptatie van dat hele spectrum, en het uiteindelijk volledig in eigendom te nemen. Juist en ook wanneer bepaalde kenmerken of neigingen haaks lijken te staan op de eigen genderidentiteit. Alleen zo komt een mens in de hoopvolle ontwikkelingspsychologie van Jung uiteindelijk tot maximale bloei.

“Vrijheid…”

In de vaak totale spraakverwarring van de tijd waarin we leven, wordt steeds sterker gepropageerd dat jongens en meisjes er al op jonge leeftijd op moeten worden gewezen dat ze een keuze kunnen maken voor hun mannelijke of vrouwelijke geaardheid. Ook in Nederland begint dit dwingende trekken van een hype of subcultuur aan te nemen. Alsof iedere jongen die ook beschikt over wat Jung bedoelt met vrouwelijke kenmerken maar beter zijn lichaam kan laten ombouwen. En meiden omgekeerd, wanneer zij nogal jongensachtige voorkeuren of gedrag vertonen.

Vandaag las ik zelfs dat alle grote warenhuizen in Californië over drie jaar “genderneutrale afdelingen” moeten hebben voor onder meer speelgoed en verzorgingsproducten. Zo moet er een “genderneutraal aanbod” komen voor meisjes die willen spelen met auto’s of gereedschap en jongens die van glitter of poppen houden. Alsof dat nu niet kan….! Natuurlijk kent deze absurde en opgedrongen vrijheidscultus ook in Nederland geen rem.

Averechts

Het meest tragische van deze ontwikkeling is misschien nog wel dat de zogenaamde vrijheid van keuze die hiermee bepleit wordt, juist averechts zal werken. Talloze kinderen en pubers die van nature onbekommerd experimenteren rond vragen wie ze eigenlijk zijn, krijgen zo ongewild een identiteitsdilemma opgedrongen dat hun innerlijke ontwikkeling kan schaden. Jung zou zich omdraaien in zijn graf, nu zestig jaar na zijn dood de verwarring op dit vlak een onzalig hoogtepunt heeft bereikt.

Misschien mag ik als bewonderaar van zijn baanbrekende werk voorzichtig opmerken dat het voor de ontwikkeling van een jong mens, absoluut niets uitmaakt of hij als man of juist als vrouw geboren is. Maar dat het enige dat werkelijk telt de volledige omarming is van wie hij ten diepste is in zijn uniciteit. Juist in het rijke spanningsveld van beide polariteiten waarmee ieder mens op aarde komt, is ruimschoots al het materiaal aanwezig dat nodig is voor een vervullend leven. Al onze vrouwelijke en al onze mannelijke eigenschappen, en alles wat daar tussen ligt. Het vernauwen en verkrampen van die innerlijke ontdekkingsreis tot een lichamelijke identiteitskeuze, doet de psychische ontwikkeling van kind naar (jong)volwassenheid meer kwaad dan goed.

Elke jongen kan in deze tijd zoveel met poppen spelen, kralen rijgen of kappertje spelen als hij wil. Zoals ieder meisje kan opgaan in speelgoedauto’s, techniek of schaken. Wat mij betreft bij voorkeur zonder dat hen wordt aangepraat dat ze misschien wel in een “verkeerd lichaam” geboren zijn. Omdat precies dat, als je er goed over na denkt, on-vrij maakt om in alle rust uit te kunnen groeien tot wie ze eigenlijk zijn in hun diepste Zelf. Namelijk Mens.

Tekst: Herbert van Weerdenburg