‘Goedemiddag meneer, mag ik u misschien een vraag stellen?’

“Natuurlijk, vragen staat vrij, ga je gang….”

‘Fijn, dank u wel. Wat ik graag wil weten of u afgelopen 2 jaar misschien ook verbitterd bent geraakt?’

“Verbitterd….?!”

‘Ja, verbitterd. Dus dat je diep van binnen eigenlijk boos bent op alles en iedereen, speciaal op degenen die ons dit allemaal aandoen.’

“Verbitterd, verbitterd…? Tjeeminee, wat een vraag stel je me daar zeg! Je wil dus serieus weten of ik verbitterd ben geraakt door die hele corona-ellende…?”

‘Ja, dat klopt. Niet in één keer natuurlijk, want dat is meer boosheid en geen verbittering. Wat wij bedoelen is meer de echte verbittering, die op de lange duur ontstaat als een mens veel voor z’n kiezen krijgt. Wij doen daar navraag naar momenteel, en uw antwoord is van groot belang voor ons onderzoek.’

“Sodemieter…!, daar wil ik best een antwoord op geven. Maar wel eerst een tegenvraag van mijn kant: Wie zijn eigenlijk die ‘wij’, die dat allemaal willen weten…? Ik ga niet zomaar m’n hele hebben en houwen bloot leggen, als ik geen idee heb wie daar belang in stelt…!”

‘Maar natuurlijk mag u dat weten. Kijk…, hier is mijn pasje. Wij stellen deze vraag voor het Instituut voor Ziel en Zaligheid. Een nieuwe afdeling van het sociaal-cultureel planbureau, dat al sinds de jaren ’80 onderzoekt in hoeverre Nederlanders tevreden zijn met hun leven. Eén keer per jaar brengen we de resultaten daarvan in de publiciteit. Nu 2021 bijna is afgelopen, zijn we erg benieuwd naar hoe het eigenlijk staat met de verbittering in Nederland.’

“Kijk eens an, een hele mond vol…! Maar goed, als ze dat zo graag willen weten, ik maak van m’n hart geen moordkuil. Ik neem wel aan dat het anoniem is wat ik ga zeggen…? Want ik pas er voor dat ik straks de buren aan de deur krijg die verhaal komen halen omdat ze me herkennen. Ze dwepen met die clown in de Tweede Kamer, dus dan weet je het wel…!”

‘Jazeker, klopt helemaal. Anonimiteit is absoluut gegarandeerd. Het enige dat we vermelden is dat ik u hier in Amsterdam op straat deze vraag heb gesteld. Statistisch gezien wil het instituut graag weten of er verschil is in verbittering tussen bijv. Amsterdammers, Twentenaren, Limburgers en Harlingers. Tenminste, ik neem aan dat u een Amsterdammer bent…?’

“Haha! Dus dat had je al gehoord zeker…? Wis en waarachtig, een rasechte Mokumer mag ik wel zeggen. Geboren en getogen, gepokt en gemazeld. Eén keer ben ik door omstandigheden een paar jaartjes gaan wonen in de provincie, maar daar was ik snel van genezen. Voor mij gaat er niets boven Amsterdam….! Al heb ik ook niets tegen Rotterdammers, behalve dat ze altijd mopperen dat hun stad de mindere is. Kijk, wij Amsterdammers kankeren er ook lustig op los, maar dat is puur uit gewoonte. Wij bedoelen het helemaal niet kwaad maar dragen ons hart op de tong. M’n vader zei altijd: ‘Een Amsterdammer die niet kankert, is geen echte Mokumer…!

‘Prima, dat staat genoteerd. Maar verder blijft u echt volledig anoniem’.

“Dat is je geraden…! Zeg, zie je dat bankje daar…? Ik weet niet wat jij doet, maar ik gaat er wel effe bij zitten voordat ik antwoord geef op die vraag van je. Ik hou namelijk van m’n rokertje en borreltje op z’n tijd, en dat gaat je op de lange duur niet in de kouwe kleren zitten. Volgens de dokter heb ik etalagebenen, en mot ik daarom wandelen. Om te voorkomen dat ze er op een goed moment af moeten, die benen. Vandaar dat ik hier wandel, maar lang stil staan is niet bevorderlijk…!”

‘Natuurlijk, neemt u gerust plaats. Dan ga ik even naast u zitten om een paar dingen op te schrijven.’

“Zo, pfff! Hè hè, dat voelt gelijk al een stukkie beter. Eens even kijken…. Dus of ik ook verbitterd ben. Sodeju…! wat een vraag eigenlijk. Maar goed, ik zal m’n best doen…”

‘Fijn hoor. Ik stel het erg op prijs dat u even rustig de tijd neemt om over onze vraag na te denken.’

“Ja, je weet het leuk te brengen, dat moet ik je nageven. Maar ach, verbittering. Ziel en zaligheid, dat onderzoek…. Mijn hemel, voor niets gaat de zon op…! Maar ik weet het goed met je gemaakt, want wij Amsterdammers winden er geen doekjes om. Recht voor z’n raap, daar houden we van…!”

‘Ik luister…!’

“Welnu, ik weet niet hoe oud jij bent, maar ik kan me nog goed de Fabeltjeskrant herinneren, uit de jaren ‘70. Met meneer De Uil, en al die andere goochemerds in dat grote dierenbos. Weet je wat het was daar…? Vaak ontstond er gesodemieter tussen al die dieren met hun wensen en belangen. Elke keer was er wel iemand die zich tekort gedaan voelde, of het niet meer zag zitten. Maar het kwam toch weer netjes op z’n pootjes terecht, omdat ze eind van de dag allemaal in de smiezen hadden dat ze feitelijk in hetzelfde schuitje zaten. Ze moesten het met elkaar zien te rooien. Daarom werkten ze samen en hielpen ze elkaar, zo goed ze konden, met vallen en opstaan. Als ik dan nu al die ontevreden schreeuwers zie in Nederland, moet ik vaak terug denken aan hoe ze hun probleempjes toentertijd met elkaar oplosten in dat dierenbos. We zijn nu een dikke 50 jaar verder, maar Bor de wolf en Lowieke de vos waren toen al een stuk wijzer dan die kapsoneslijers van nu, met hun armetierige getwitter….! De meesten worden niet gehinderd door enige kennis van zaken, zeg ik altijd.”

“Ik keek dagelijks met m’n kinderen, toen die nog klein waren. Als iemand een te grote waffel kreeg in dat bos, werd hem stevig de waarheid gezegd door een ander en moest hij effe dimmen. Net zo als we hier in Amsterdam gewend waren. Je mocht hier altijd over alles je mening zeggen, maar als iemand echt vervelend begon te doen, namen ze hem even flink onder handen. Dan was ie weer een poosje rustig.”

“Sowieso vond ik die jaren ‘70 verreweg de mooiste tijd. Mensen waren toen nog blij met hun welvaart, ook omdat velen de oorlog nog hadden meegemaakt. Ik kan je wel vertellen jongen, dat als je die hongerwinter van 1944/1945 hebt mee gemaakt, zoals wij thuis…. Je aan den lijve hebt ervaren hoe die Duitsers hier tekeer gingen, je nu niet zo snel kritiek hebt als bepaalde dingen even niet meer kunnen vanwege corona.”

“Attentie…! In die winter was er niets meer te eten en ook geen brandstof. Je zat met een lege maag te bibberen in een deken, en moest vroeg naar bed omdat er geen stroom was voor de schemerlamp. Later hebben ze uitgerekend dat er toen een dikke 20 duizend mensen zijn gestorven, die ene winter…! Alleen al van de honger en de kou. Vooral hier in de steden. Dat is evenveel als er nu de pijp zijn uit gegaan door corona. Maar het verschil is wel dat er nu niemand heeft verrekt van honger en kou, of omdat de medicijnen op waren. En dat iedereen maar alles kan roepen en beweren wat-ie op z’n lever heeft. Als je toen een grote muil opzette, werd je ’s nachts opgehaald door de Duitsers…! Dan zong je wel een toontje lager.”

“Ik wil alleen maar zeggen dat de mensen destijds reden hadden om verbitterd te zijn over het grote onrecht dat hen werd geflikt door die moffen. Zelf heb ik het echt niet zo ruim nu, maar ik kan rond komen van m’n AOW en pensioentje. Moet je eens om je heen kijken hoe de supermarkten momenteel uit hun voegen barsten van luxe eten en drinken. En hoeveel we daar wel niet aan uitgeven met z’n allen…! Terwijl half Nederland al veel te dik is…. Daarom, mij hoor je niet klagen als de kroegen hun deuren een poosje eerder moeten sluiten. Of als ik een mondkapje op moet in de HEMA…”

‘Dus u bent helemaal niet verbitterd geraakt, begrijp ik dat goed?’

“Jongen, nou moet je eens goed naar mij luisteren. En schrijf dat maar op voor je instituut…! Mensen die zeggen dat ze verbitterd zijn geraakt door de coronatijd, liegen gewoon dat het gedrukt staat. Want de meesten waren al lang en breed verbitterd door andere sores en ellende in hun leven. Nu we allemaal zitten met de gebakken peren van dat virus, wijten ze hun onvrede aan hoe de regering het aanpakt. Maar ik zeg je dit…: het kabinet doet een hoop verkeerd in de ogen van de mensen. Wat ze alleen niet door hebben, is dat die ministers gewoon niet beter kunnen…! Ze zijn niet kwaadwillend, maar het is puur onvermogen.”

“Kijk alleen maar eens naar hoeveel kabinetten er zijn gevallen, sinds de Fabeltjeskrant. En dat zijn er zo een stuk of 10 hoor…! Al die lui deden op hun manier hun stinkende best, maar ze konden gewoon niet beter. Daarom zeg ik: die Hagenees Mark zou zich onsterfelijk maken als hij dat nu eindelijk eens zou toegeven aan het volk. Dat ie hardop durft te zeggen, luid en duidelijk: “Sorry mensen, we doen ons uiterste best maar we kunnen gewoon niet beter.” Begrijp me goed, ik heb nooit op ‘m gestemd en dat zal ook niet gebeuren. Maar dan zou ie voor één keer laten zien dat-ie snapt wat veel mensen al lang voelen. Weet je wat het is: onvermogen is helemaal niet erg. Het wordt pas tragisch als je je eigen makke krampachtig blijft ontkennen. Daar krijgt de bevolking zoetjes an een sik van. Maar verbitterd, nee hoor. Geen sprake van! Daar hebben wij Amsterdammers geen aanleg voor.”

Tekst: Herbert van Weerdenburg