Aan z’n linkerzijde klonk het geruststellende geruis van de Middellandse Zee, die op hooguit 50 meter onophoudelijk aanspoelde tussen de rotsformaties van de Pyreneeën. En aan de andere kant het orkestrale geluid van honderden krekels in houten electriciteitspalen, zo massaal dat je het na verloop van tijd niet eens meer hoorde. Altijd zat hij op een kussentje in een versleten rieten stoel, met armleuningen. Zo eentje die wij Hollanders liever naar de kringloop doen, bij gebrek aan comfort. Maar voor hem was die stoel z’n veilige basis. De plek waar hij elke nacht vele uren in doorbracht. Als nachtwaker.

Zijn stoel stond juist binnen de poort van de enigszins primitieve camping, die in handen was van een Catalaanse familie in het uiterste noordoosten van Spanje. Gezeten naast de ingang van de kantine, die hem enige beschutting bood, hield hij toezicht op de in witte baksteen gemetselde poort, waarvan het gammele hek ’s nachts gesloten werd. Maar ook op goed geluimde campinggasten, die hun avondlijk plezier onder het genot van Sangria of Cuba Libre, moesten bekopen met een wankele toiletgang gedurende de nachtelijke uren.

Wandelstok

Behalve over zijn eenvoudige stoel, beschikte de oude man over een dekentje, want de mediterrane nachten konden kil zijn. Daarom droeg hij altijd een vest en soms een rieten hoed, die z’n dunne grijze haar bedekte. Onder handbereik was verder een zelf gesneden wandelstok die tussen z’n benen stond, zodat zijn handen er op konden rusten. En waar heel soms wel eens even stiekem zijn voorhoofd op rustte, wanneer niemand het zag. Als nachtwaker had hij niet veel meer nodig in die dagen. Behalve dan een zaklamp, die hij inschakelde als campinggasten terug keerden van laat vertier in een naburig kustdorpje.

Er hing geen bordje en er was geen afdakje waaronder hij kon zitten. Geen wachthuisje, zelfs geen telefoon waarmee hij kon bellen. Niets was er wat zijn functie een klein beetje aanzien zou kunnen geven. De oude man was daar alleen met zichzelf. In zijn stoel, met wandelstok en dekentje. Niets kon hem nog verrassen, want alles had hij al eens voorbij zien komen in die talloze zomers dat hij daar zat om te waken. Terwijl iedereen sliep, de zee eindeloos ruiste en zelfs de krekels gaandeweg hun ogen sloten, was en bleef hij daar. Hij was aanwezig. En precies die aanwezigheid, in alle eenvoud, was genoeg. Niet teveel, niet te weinig. Precies genoeg om ons een veilig gevoel te geven.

Zonder ego

Deze week, een kleine vijftig jaar later, moest ik ineens aan hem terug denken. Aan die oude man daarginds in die stoel. En aan de kracht van zijn aanwezigheid. Niet door wat hij allemaal deed of liet zien. Niet door wat hij allemaal te zeggen had. Niet door grote gebaren die indruk moesten maken, en evenmin doordat hij zich ergens over opwond of beklaagde. Maar puur en alléén door z’n kalme, rustige aanwezigheid. Zonder enige pretentie zichzelf groter of belangrijker te maken dan hij was. Een man, een mens, nog zonder ego. Zonder aangeleerde foefjes, fratsen en trucjes om een gebrek aan zelfwaardering te verdoezelen. Een man die volkomen samen viel met zichzelf. En daarmee zoveel indruk op me maakte dat ik hem nooit vergeten ben.

Wat zijn ze zeldzaam geworden… Mensen voor wie de belangrijkste bijdrage aan de wereld waarin ze leven niet bestaat uit doen, maar puur uit wie ze Zijn. Die in alle eenvoud en bescheidenheid hun belangrijkste kwaliteit aanbieden aan ieder van ons, die zichzelf voorbij holt in een rusteloze hang naar actie. Iemand als Eckhart Tolle noemt dit type mensen frequentiehouders. Waarmee hij bedoelt dat ze voornamelijk zijn afgestemd op de verbinding met hun eigen, diepste wezen. En die verbinding met hun goddelijke essentie, de ziel, meer koesteren dan wat ook.

Stil worden

Wat zijn ze zeldzaam en wat mis ik mensen als die bejaarde nachtwaker. Maar, zegt ook Tolle, als we dat willen, is ieder mens in staat die diepere dimensie in zichzelf te ontdekken. Door af te stemmen op ons diepste binnenste. Op die ene heilzame plek, waar onze ziel al die tijd geduldig op ons wachtte. Met als enige voorwaarde: stil worden. Zo stil, dat we eindelijk weer kunnen horen. Zoals die oude man in Spanje bij voorkeur zweeg.

Wanneer we eenmaal terug keerden naar ons thuis in Nederland, vertrokken we altijd in de nacht. Zodat we voor de hitte van de dag uit reden, dachten we. Terwijl iedereen sliep, duwden we soms de volgepakte auto over het camping-pad om zo min mogelijk lawaai te maken. Gadegeslagen door de oude man, die ons vriendelijk toe knikte en in twee Spaanse woorden zachtjes een goede reis wenste. Dienstbaar maakte hij het hek voor ons open, zodat we onze weg in de nacht konden vinden. Zwijgend stopten we hem onze laatste peseta’s toe. Niet omdat hij dat verwachtte. Maar uit pure dankbaarheid voor al die nachten dat hij ook over ons had gewaakt. Omkijkend, zag ik hoe hij onverstoorbaar al weer was gaan zitten op zijn vertrouwde plek.

Tekst: Herbert van Weerdenburg