Bestaan ze eigenlijk nog wel, dit type mannen? Dat vroeg ik me deze week af, toen ik terug dacht aan een tijdperk waarin ‘religieuzen’ hun hele ziel en zaligheid legden in moeilijk werk met kwetsbare groepen. Waaronder kinderen met een sociaal-emotionele achterstand, zodat zij tenminste een vak konden leren. Niet opgroeiden voor galg en rad maar perspectief kregen aangereikt een fatsoenlijk bestaan op te bouwen.

Deze mensen beschikten niet over bovennatuurlijke krachten, nadat ze gegrepen waren door de opdracht de ander lief te hebben als onszelf. Het waren gewone mannen en vrouwen, die lid werden van een congregatie (gemeenschap) van broeders of zusters. Om vanuit die inbedding intensief te werken aan hun gezamenlijke missie. Ondanks hun eigen katholieke wortels waren ze er helemaal niet op uit anderen te bekeren tot geloof. Ze probeerden in de praktijk slechts met het stellen van hun eigen leven en waarden als voorbeeld, te dienen als identificatiefiguren voor kansarme kinderen die vanuit hun thuisomgeving een tekort aan zelfvertrouwen hadden. Daarnaast zetten ze geduldig hun capaciteiten in om hen een ambacht bij te brengen.

Bloeiperiode

In Nederland waren sinds mensenheugenis tientallen van deze onderwijscongregaties actief. Vooral in de jaren ’50 en begin ’60-er jaren maakten ze een bloeiperiode door. Het aantal mensen dat zich voor het leven verbond aan zo’n gemeenschap bereikte toen een hoogtepunt. Zo ook het aantal scholen en instellingen dat onder hun bezielende leiding werd opgericht en tot bloei gebracht. Plekken waar zij vaak gedurende tientallen jaren hun beste krachten aan gaven.

Niet omdat het goed betaalde of status verhogend was. Nee, puur omdat ze geloofden in de kracht van naastenliefde. Waarbij ze de inzet voor mensen die minder bedeeld waren als voornaamste taak zagen. Deze broeders en zusters brachten een aanzienlijk persoonlijk offer, door hun belofte ongehuwd te blijven, in armoede te leven, en persoonlijke ambities ondergeschikt te maken aan hun eigen gemeenschapsleven. Die ‘armoede’ was een relatief begrip, want het ontbrak hen zeker niet aan basale levensbehoeften. In deze tijd zouden we die vertalen met een bewuste levenskeuze voor eenvoud en soberheid vanuit een communiteit van gelijkgestemden. Dus niet alleen vrijwillig afzien van materieel bezit, maar primair een keuze durven maken voor totale beschikbaarheid vanuit pure dienstbaarheid.

Statement

Vandaar ook de bijna retorische vraag, hierboven. Bestaat het eigenlijk nog wel, dit type mensen, in de tijd waarin we nu leven? Dus zijn er nog mensen die bereid zijn persoonlijke offers te brengen met als enig doel gepassioneerd bij te dragen aan de emancipatie van mensen die zoveel kwetsbaarder zijn dan zijzelf…? Niet alléén, maar in gezamenlijkheid. Niet voor een blauwe maandag omdat het interessant staat op het eigen CV, maar als statement voor het leven. Want hun commitment gold tot aan hun dood, er ging een heel leven mee heen. Het waren mannen en vrouwen uit één stuk. Voor wie een diepe persoonlijke overtuiging en trouw aan de missie waaraan ze zich verbonden hadden, ankers waren die hun hartstocht op koers hield.

Het antwoord is: JA, ze bestaan nog. Maar ze zijn al ruimschoots met pensioen en brengen de laatste fase van hun leven door in enkele speciale woonzorgcentra, verspreid over het land. De rijke historie van de bloeitijd van hun werkzame leven leeft overigens wel voort, maar dan in het documentatiecentrum voor religieus erfgoed. Zoals het natuurlijk ook voor altijd herinnerd wordt in het geheugen van tienduizenden die door hen werden opgeleid en opgevoed.

Voorrecht

Op jonge leeftijd had ik het voorrecht een aantal van deze religieuzen persoonlijk te leren kennen, doordat mijn eigen vader werkzaam was aan de ambachtsschool die door hen was opgericht. Het waren de ‘broeders van Amsterdam’ (zie voetnoot), die in hun meest noordelijk gelegen project, vorm gaven aan hun gedrevenheid zich maximaal in te zetten voor kinderen uit armere en sociaal zwakkere gezinnen. Zo kwam ik regelmatig binnen de muren van die snel groeiende school, die talloze leerlingen uit het noorden van het land geholpen heeft hun talenten te ontwikkelen en te groeien in zelfvertrouwen. Daar zag ik vanuit eigen waarneming wat het betekende wanneer zulke mannen voor een hartverwarmend ideaal bereid zijn al het andere wat hun hart misschien begeerde opzij te zetten.

Uit tientallen verhalen over deze broeders, is er eentje die me altijd bij zal blijven. Het illustreert hoe het stond met hun wijsheid als het gaat om menselijk en pedagogisch inzicht. Als directeur van die school gaf broeder Paulus Knuist ruim 20 jaar leiding aan de opdracht vanuit zijn congregatie. Hij genoot waardering en respect van zowel leerlingen als leerkrachten, op een niveau waarvan in deze tijd alleen nog gedroomd kan worden. Kernwaarden voor hem waren menselijkheid, wijsheid, en volstrekte integriteit. Gekoppeld aan een natuurlijk gevoel voor rechtvaardigheid en empathisch pedagogisch inzicht. Dat alles vanuit een liefdevolle grondhouding en betrokkenheid op jeugdigen, die in deze tijd zeldzaam is geworden.

Verbijsterd

Zo gebeurde het dat Paulus op een van zijn rondes door de gangen van de school intuïtief een kijkje nam bij het lokaal van een leraar technisch tekenen, die bezig was met een klas jongens. Moeilijk genoeg dat vak, dus volledige concentratie was hierbij geboden. Eenmaal binnen zag Paulus tot zijn verbijstering dat de beste man z’n leerlingen zogenaamd aan het werk had gezet, zodat hij zelf z’n handen vrij had voor heel iets anders. Namelijk het tekenen van een bouwkundig object dat niks te maken had met de leerstof. Maar ten goede kwam aan de lucratieve nevenfunctie die hij er op na hield naast zijn goed betaalde baan.

De directeur legde kalmpjes de les stil, en vroeg ieders aandacht, terwijl de jongens zich bezorgd afvroegen wie van hen uit het lokaal zou worden gehaald. Kennelijk was er iets uitgevreten op school wat niet door de beugel kon. Maar tot hun verbazing liep het anders… In niet mis te verstane bewoordingen sprak Paulus de leraar toe op een manier die hij nooit meer zou vergeten. De vermaning dat hij deze belangenverstrengeling niet tolereerde, imponeerde zozeer dat het verhaal nog jaren nagalmde binnen de schoolmuren.

Opdracht

Zijn interventie was van ongekend pedagogisch niveau, want hij sloeg drie vliegen in één klap. Naar de leerlingen toe maakte hij glashelder dat hij aan hun kant stond. Terwijl de blozende leraar in het aanzicht van z’n leerlingen een fikse correctie kreeg voor z’n gemakzuchtige taakopvatting. En doordat het verhaal als een lopend vuurtje door de school ging, kregen ook alle andere leerkrachten als boodschap mee dat hun enige loyaliteit diende te liggen bij de aan hen toevertrouwde jongeren. En nergens anders.

Toevallig ontmoette ik vele jaren later enkele volwassenen die aan deze school hun technische beroepsopleiding ontvingen. Zonder uitzondering spraken zij met diep respect voor de manier waarop broeder Paulus hun directeur was geweest. Zelfs wanneer zij herinneringen hadden aan de keren dat ze persoonlijk door hem waren gecorrigeerd in gedrag dat over grenzen ging. Het zijn inmiddels mannen met een succesvol bedrijf, die nog dagelijks profiteren van de morele waarden die ze op jonge leeftijd kregen aangereikt. Niet alleen door Paulus als directeur, maar evenzeer door zijn collega-broeders die zich voor hen het vuur uit de sloffen liepen, op basis van de ene hartstochtelijke missie die hen verbond. Geen halfslachtigheid, geen lauwheid, en evenmin dubbele agenda’s. Maar belangeloze toewijding, een leven lang.

Zou die hoogstaande levensvervulling nog ergens bestaan, vandaag de dag?

Tekst: Herbert van Weerdenburg

(*) Voetnoot. De ‘broeders van Amsterdam’ behoren tot een congregatie die al in 1851 werd opgericht. Doel was te voorzien in de noden van de talloze wezen en zwerfkinderen die een kansloos bestaan leidden in de hoofdstad. Met als oorzaak dat hun ouders door bittere armoede of overlijden niet voor hun opvoeding konden zorgen. De officiële benaming is: ‘Broederscongregatie van Onze Lieve Vrouw van Zeven Smarten’. Maar omdat hun oorsprong in de hoofdstad lag, werden ze vaak aangeduid als broeders van Amsterdam.

Aanvankelijk werd alleen opvang voor deze jongens georganiseerd in tehuizen, maar al snel leidden de broeders hen daarnaast ook op voor eenvoudige ambachten als houtbewerker, schilder of metselaar. Later werden er ook (ver) buiten Amsterdam technische scholen gesticht, vaak in combinatie met een jongensinternaat. In Nederland kwam het zo tot ca. 22 vestigingsplaatsen. De congregatie bestond in haar bloeifase uit ruim 250 leden, die zich verdeeld over al die scholen inzetten voor hun gezamenlijke missie. Plaatselijk leefden de broeders samen in een communiteit. Op dit moment woont er nog een aantal van hen in Voorhout.