Onlangs kwam ik een markante man tegen die ik al een hele poos niet meer had gezien. En dus was er alle reden om eens even een praatje te maken. Ofschoon helemaal niet kalend, droeg hij de laatste jaren altijd een zwarte leren pet. Waardoor het ergens leek alsof hij tijdens de Koude Oorlog misschien belangrijk veldwerk had verricht voor de geheime dienst. “Gewoon uit voorzorg, die pet”, had hij me al eens toevertrouwd. ‘Hee Nico…!’, begroette ik hem opgewekt. ‘Wat fijn je eindelijk weer te zien. Hoe gaat het eigenlijk met je…?’

Afijn, om een kort verhaal niet onnodig lang te maken; het ging werkelijk uitstekend met Nico. Zoals verwacht. Eigenlijk kende ik niemand anders die op een of andere manier het zeldzame talent had om werkelijk elk nadeel om te zetten in een voordeel. Maar dan zonder uitzondering. Iedere denkbare tegenslag was voor hem bij voorbaat een uitdaging, in elk (dreigend) verlies zag hij een voorbode van winst, en elke vorm van ongemak of pijn was in zijn perceptie een welkome waarschuwing. Hoe harder het stormde in zijn dagelijks leven, hoe meer Nico in z’n element leek te zijn.

Rampzalige positivo

Kortom, het leven leek hem gunstig gezind, hoezeer het soms ook z’n best had gedaan hem te verrassen. Tenminste, dat had hij me de laatste keer dat we elkaar spraken nog uitgelegd. In feite kon je het zo gek niet bedenken, of Nico wist op elke denkbare tegenvaller razendsnel een voor hem sluitend antwoord te vinden. Dit uitzonderlijke talent was ook hemzelf niet ontgaan. Want gekscherend noemde hij zichzelf soms “een rampzalige positivo, met het volstrekte onvermogen om te falen”.

Om een herhaling van dit voor nu iets te grote onderwerp te voorkomen, besloot ik een andere invalshoek te kiezen. ‘En hoe gaat het eigenlijk met schaken’, probeerde ik. Want ik wist dat hij bij vlagen een verdienstelijk schaker kon zijn, eentje die verrassend uit de hoek kon komen. “Nou dat is opvallend dat je daar naar vraagt”, antwoordde hij. “Want dankzij de coronacrisis maak ik in online-schaken een enorme ontwikkeling door. Eentje waar zelfs ik verbaasd van sta….

Sneuvelen

‘Zo…!’ reageerde ik oprecht benieuwd. ‘Dat is natuurlijk helemaal geweldig…!’ Schaken was immers een favoriet onderwerp waar ik sowieso niet snel over uitgedacht raakte. Niet zozeer het vinden van geniale tactieken of het plaatsen van sluwe ‘valletjes’, als gevolg waarvan een tegenspeler in ernstige moeilijkheden kon raken. Maar eerder het nadenken over schaken in het algemeen. Dus over het edele spel, en alles wat er in de volle breedte mee te maken heeft. Speciaal ook de mentale kant van deze verslavende denksport, waarop de meeste beginners vroeg of laat dreigden te sneuvelen.

‘Dus je maakt een sterke progressie door?’, vroeg ik. Hij knikte triomfantelijk, waarbij z’n ogen verrieden dat hij niet zomaar alle door hem ontdekte inzichten prijs zou geven. Ik kende die blik, dus respecteerde glimlachend dat hij dit keer ook iets voor zichzelf wilde houden. ‘Maar goed Nico, noem dan tenminste één dingetje, dat je ontdekt hebt… Een héél klein tipje van de sluier graag…’, drong ik zachtjes aan. Wetend dat hij z’n ingevingen en triomfen, groot en klein, zelden voor zich kon houden.

Samenzwering

Hij boog zich naar mij toe, keek een moment schichtig om zich heen, en hield zijn hand in verticale richting tussen z’n mond en de deuropening, waar andere schakers intussen nietsvermoedend door naar binnen slenterden. Alsof het een heuse samenzwering betrof, sprak hij met gedempte stem maar extra goed articulerend, zodat ik alles kon verstaan. Door zijn discrete benadering liep de verwachting bij mij verder op, want het heeft altijd iets wanneer een geheim wordt onthuld. Vragend keek ik hem aan, wachtend op die ene aalmoes waarvan ik wist dat die zou komen. Nadat hij een korte stilte had laten vallen om de spanning nog extra op te voeren, kwam eindelijk het verlossende woord. “Géén pion-zetten meer doen!”, zei hij. “Allemaal tijdverlies…!” Hij keek me indringend aan om te bespeuren hoe deze vondst bij mij zou vallen.

Hoewel ik zo snel mogelijk probeerde te schakelen, kon ik toch een lichte verbijstering niet verbergen. ‘Geen pionzetten meer doen…?’, herhaalde ik om tijd te winnen. Hij knikte opgetogen. ‘Maar Nico, je zult toch op z’n minst enkele pionnen moeten verzetten, omdat anders jouw lopers, torens en dame, geen toegang meer hebben tot de velden waarop de strijd wordt beslist…?! Dat zijn de vijf meest bepalende stukken, dus hoe zou je dat in hemelsnaam anders kunnen oplossen…?’

Observaties

Geduldig wachtte ik op zijn uitleg, voorbereid op wat hij allemaal nog meer in petto had aan verworven inzicht, dat andere schakers al die tijd kennelijk was ontgaan. Hij draaide zijn rug naar de deuropening, zodat we nog net iets meer privacy hadden. “Je weet dat ik als interimmanager klussen hielp opknappen die de werkgever liever niet zelf voor z’n rekening nam, omdat hij schone handen wilde houden…” Ik knikte bevestigend terwijl hij z’n toon gedempt hield, zodat het strikt vertrouwelijk was en bleef. “Okee dan”, zei hij, opgelucht dat ik me die verdienste in zijn vroegere loopbaan nog kon herinneren. ‘Dankzij dat werk en mijn schaakvorderingen kom ik tot opzienbarende nieuwe inzichten, de laatste tijd. Bij een verzekeringsmaatschappij heb ik eens een maand lang observaties gedaan, voordat ik de oplossing te pakken had voor de productiviteit daar. Welnu, vanaf het moment dat mensen opstaan om naar het bureau van een collega te lopen, gaan er tenminste 6 minuten verloren, als het méé zit. Maar als het tegen zit, verdampen er 8 tot zelfs 10 (!) minuten omdat er meteen een zogenaamd toiletbezoek aan gekoppeld wordt. Echte lijntrekkers staan daarom zeker 6 tot 7 keer per dag op van hun plek om even voor overleg naar een ander bureau te lopen. Als je uitrekent wat je dat op jaarbasis bij elkaar opgeteld kost als werkgever, dan sta je perplex. Daar gaan gewoon complete bedrijven failliet aan, ik zweer het je…!”

Bal aan de voet…

Het was met enige vertwijfeling dat ik hem vroeg: ‘En dus Nico…, hoe koppel je die wetenschap nu aan je eigen schaakpartijen…?’ Even vermande hij zich om zijn theorie in volle glorie te ontvouwen. “Gewoon de bal het werk laten doen, dat is echt alles! Dus nooit zelf met de bal aan de voet gaan lopen…! Cruijff zei het al, ik heb zijn theorie verder uitgewerkt en kom tot de conclusie dat je bij elke stap die je zet met de bal aan de voet, je in feite een dief bent van je eigen portemonnee…!” Bij deze stellige overtuiging tikte zijn wijsvinger tegen de zijkant van z’n hoofd.

“En dat is precies de vertaalslag die ik nu heb weten te maken naar het schaakbord. Dus géén pionzetten meer doen, maar altijd die bal het werk laten doen. Groot voordeel is dat je veel minder denktijd kwijt bent, en bovendien ongrijpbaar wordt voor je tegenstander. Die heeft daardoor juist veel méér bedenktijd nodig, omdat hij totaal niet begrijpt welke opening je kennelijk hebt voorbereid. Hij zit maar te wachten op die bekende pion-zetten, die alsmaar uitblijven…!” Op die manier boek je zowel tactisch als mentaal enorme terreinwinst, zonder zelfs maar één pion-zet te doen. Daarom gebruik ik alleen nog maar mijn paarden voor het optrekken van rookgordijnen en doen van schijnaanvallen.”

Perplex

Even had ik tijd nodig om de impact van deze opmerkelijke synergie van de schaak- en voetbalsport op me in te laten werken. ‘En hoe bevallen je de eerste resultaten….?’, vroeg ik voorzichtig. “Boven verwachting…! Ik sta er zelf versteld van. Online weet ik de ene na de andere partij te winnen, sinds ik nauwelijks nog pion-zetten doe. Maar één ding…”, en nu keek hij me extra vorsend aan, terwijl hij aanstalten maakte de speelzaal binnen te gaan. “Ik weet dat je te vertrouwen bent, maar dit moet absoluut onder ons blijven. Ik ga hiermee echt punten binnen halen, ook tegen veel sterkere tegenstanders. Let maar eens op, je zult verbaasd staan…!”

Diepe sympathie

Het was één van die momenten waarop ik diepe sympathie voelde voor Nico en zijn unieke belevingswereld. Drie kwartier later zag ik hem naar het toilet schuifelen, waar hij opvallend lang verbleef. In de speelzaal lagen zijn pet en sjaal op de stoel die hij zojuist verlaten had. Zijn tegenstander knikte me bemoedigend toe, omdat ik met een zorgelijke blik de rampzalige stelling op het bord gade sloeg. Nico speelde met wit, en het zag er beroerd uit voor hem, zoveel was duidelijk. Zijn twee paarden hadden zo’n beetje alle hoeken en gaten van het bord al hijgend gezien, maar onder z’n overige stukken en pionnen had inmiddels een ware slachting plaats gevonden. Met tevredenheid overzag zijn opponent de ravage op het slagveld, in het volste vertrouwen op een spoedig einde van deze dramatische partij.

Tien minuten later nam Nico stilletjes weer plaats achter het bord, zette de klok uit en prevelde nauwelijks verstaanbaar dat hij de partij bij nader inzien toch maar gewonnen gaf. Hij voelde zich niet helemaal fit, was het laatste wat ik hem nog hoorde mompelen. Wijselijk sloeg ik dit tafereel van gepaste afstand gade. Want wanneer een heroïsch strijdplan strandt, is het raadzaam je te onthouden van ieder denkbare feedback. Hoe goed bedoeld ook. Even later schuifelde Nico, voorzien van pet en sjaal, bijna onzichtbaar het gebouw uit. Door het openstaande raam hoorde ik zijn brommobiel luidruchtig starten. Tijd om naar huis te gaan.

Tekst: Herbert van Weerdenburg