In de jaren ‘80 werkte ik als journalist bij een dagblad. Voor die tijd een prima baan met relatief veel vrijheid. Drie, soms vier avonden per week op stap voor de krant was normaal, en werkweken van 60 uur geen uitzondering. Een mooie tijd omdat tegenover de hoge belasting een zekere vrijheid stond. Het maakte niet uit hoe je het werk indeelde, als het maar gebeurde.

Maar de lange werkweken hadden ook een keerzijde, en daarom werd ik op m’n 26ste  eindredacteur. Kortere werkdagen, en meer ruimte om eens een praatje te maken met collega’s. Ook toen al was ik geboeid door wat mensen beweegt. Op de redactie viel dat in goede aarde. Het droeg bij aan ontspannen verhoudingen, in een context van hard werkende individualisten. Na enkele jaren werd ik benaderd voor een functie bij een concurrerend dagblad. Toen ik op een pannenkoekschip uitgebreid afscheid nam van de collega’s, verbaasde het me hoeveel mijn persoonlijke belangstelling betekend had. Ze betreurden het dat ik vertrok, omdat m’n aanwezigheid in hun beleving belangrijk was geweest voor de plezierige sfeer. Voor mij was interesse in wat de ander beweegt net zo gewoon als slapen, eten en drinken. Het vroeg nauwelijks inspanning, en ik kon moeilijk anders.

Verwachtingsvol

Later kwam ik regelmatig nog oud-collega’s tegen. Misschien zagen ze dat ik niet gelukkig was in mijn nieuwe baan, want meer dan eens gooiden ze een balletje op. “Wanneer kom je bij ons terug? We missen de sfeer van toen jij er was…!” Een jaar of 8 later werd me gevraagd er in de vakantieperiode te komen werken, als eindredacteur, in wat een snikhete zomer zou worden. Na enige aarzeling liet ik me overhalen, ik werkte inmiddels als freelancer en had wel tijd. Toen ik kennis kwam maken met oude en nieuwe collega’s, was het weerzien allerhartelijkst. Ook nieuwe collega’s die na mijn vertrek waren gekomen, schudden me verwachtingsvol de hand.

Aansluitend riep de adjunct-hoofdredacteur me bij zich. Een commerciële man die zich had laten inhuren om de rentabiliteit van de krant op te krikken. Van afstand had hij mijn spontane weerzien met collega’s gevolgd, en hij wilde me bijpraten over wat er allemaal veranderd was. Er had op de redactie een cultuuromslag plaatsgevonden, waarschuwde hij. Toen ik benieuwd vroeg naar het hoe en waarom, toch journalistieke kernvragen, volgde een vage uiteenzetting. Was verder ook niet belangrijk, mompelde hij. Als ik maar besefte dat er veel harder gewerkt werd dan voorheen. “Nog harder…?”, vroeg ik. “Nou en of! We gaan nu efficiënt met onze tijd om.” En dus was het vooral niet de bedoeling dat ik collega’s van hun werk zou houden, door te vragen hoe het met hen ging.

Kantoortuin

Kortom, ik was welkom maar diende me aan te passen. Ik relativeerde zijn boodschap, want wist dat er altijd ergens ruimte is om ontspannen bij te kletsen. Dat zou ik zeker niet laten. Sterker nog, eigenlijk was het de voornaamste reden dat ik toch had toegestemd. De volgende morgen viel me op hoeveel stiller het was geworden, vergeleken met 8 jaar eerder. Slechts het klakkende geluid van toetsenborden vulde de kantoortuin. Zelfs wanneer iemand zat te telefoneren, gebeurde dat op gedempte toon. Ik zag alleen maar strakke en serieuze gezichten die geconcentreerd zaten te typen. Ieder voor zich en op zichzelf. Alsof ik op de boekhouding van een productiebedrijf was beland.

Aangezien ik mezelf meteen maar met de koffievoorziening had belast van m’n directe collega’s, vond ik bij de automaat natuurlijk ruimte om in gesprek te raken. Waarbij gelukkig veel werd gelachen. Humor werkt altijd in benarde omstandigheden. Wanneer ik opstond voor een nieuwe koffieronde, volgden anderen om zogenaamd gebruik te maken van het toilet, aan dezelfde gang. Het lukte om daar weer de vertrouwde, ontspannen sfeer te herstellen.

In de weken die volgden ontdooide er iets. Volgens Jitske, mijn naaste collega, hing het samen met mijn aanwezigheid. Ze vertelde hoe blij ze daarmee was. Gaandeweg ontstonden gesprekjes over de beeldschermen heen, mensen maakten weer oogcontact met elkaar. Via het interne berichtensysteem bemoedigde ik heimelijk collega’s, die zichtbaar leden onder de nieuwe zakelijkheid. Het werkte aanstekelijk en anderen namen die muiterij voorzichtig over. Tenminste, wanneer  de commeriële man uit beeld was.

Plantengieter

Na enkele weken werd ik zowat bevangen door de tropische temperaturen onder het platte dak. En kreeg steeds meer moeite me te concentreren onder de hoge werkdruk. Want een eindredactie is het zenuwcentrum van een krant. Vandaar dat ik een ventilator mee nam, van huis. De volgende dagen verschenen steeds meer ventilatoren op bureaus. Verder bekommerde ik me over de planten op de redactie, die een treurig en verdroogd bestaan leidden. Omdat iedereen op z’n tenen liep, kregen ze nauwelijks water. Dagelijks ging ik rond met de gieter. Want als een mens bijna bezwijkt onder de hitte, geldt dat zeker voor onze planten.

Na 2 maanden legde ik Jitske uit waarom ik mijn contract niet zou uitdienen. De combinatie van tropische hitte en hoge werkdruk werd me teveel en ik hield het voor gezien. Ze wist ze dat het zinloos was op me in te praten maar deed toch een poging. “Als we het nu zo organiseren, dat je alleen maar koffie voor ons haalt en de planten verzorgt. En je puur voor de vorm geen 4 maar 1 pagina per dag redigeert, dan nemen wij jouw andere werk over. Want sinds jij er bent is het zoveel gezelliger geworden. We willen je beslist niet kwijt, jij bent onze sfeerwerker…!”

Vanuit loyaliteit besloot ik nog even te blijven, maar na 2 weken vertrok ik alsnog. Kort daarop ontving ik een lief kaartje van haar, waaruit haar compassie bleek. Ze snapte dat ik niet langer in zoveel benauwenis kon functioneren. Gevoelsmens als ze was, had ook zij er grote moeite mee.

Tijdgeest

Het grote gevoel van vervreemding is begonnen met het veranderen van de tijdgeest in die jaren ’90. Gaandeweg werd de menselijke maat volledig gemangeld. Mensen raakten ondergeschikt aan time-management en ‘efficiëncy’. Sindsdien zijn honderdduizenden burnout geraakt, of arbeidsongeschikt verklaard. Tallozen zijn voor zichzelf begonnen door een eigen bedrijfje te starten. Op zoek naar ruimte om weer te kunnen ademen en tenminste zichzelf te kunnen zijn. Eindelijk te bloeien zoals ze ten diepste bedoeld zijn. Mensen vinden altijd een uitweg. Want de taal van het hart overwint uiteindelijk toch.

Herbert