Meer dan ooit, leven we in een tijdperk waarin betrouwbare grenzen tussen het goede en het kwade ogenschijnlijk zijn vervaagd. Vooral doordat we dagelijks worden overspoeld door beelden van al het kwaad dat zich voltrekt tussen mensen. Steeds meer gaat het daarbij om kwaad, kwader, kwaadst… De impact van die negatieve overvloed aan beeld en geluid is zo groot, dat het goede nog maar nauwelijks hoorbaar is. Omdat het zich bij voorkeur voltrekt in de bescheiden luwte van de stilte.

En dus zijn mensen meer dan ooit aangewezen op hun eigen geweten, als innerlijk baken en kompas. Het voelt bijna ongemakkelijk dit aloude begrip geweten te benoemen. Omdat het is alsof het dateert uit lang vervlogen tijden. Lang en breed ingehaald door abstracte begrippen als moraliteit en ethiek. Geweten…, is dat niet iets wat volkomen achterhaald is in een koude wereld, waarin mensen fulltime calculerend hun eigen belangen nastreven? Gedekt door de vlag van die ene, aanbeden afgod: “Als IK maar aan mijn trekken kom…!”

Onvrede

Zodra dat even niet lukt, raken veel mensen ontevreden, gefrustreerd en vooral ook boos. Aangezien Het Leven juist helemaal niet de neiging heeft steeds tegemoet te komen aan wat het kleine-Ik allemaal wil, is er veel en vaak reden tot boosheid. Bij elke teleurstelling als gevolg van die frustratie is er wel iemand die aansprakelijk gesteld wordt voor onze soms chronische onvrede. Terecht of onterecht, als er maar iemand is op wie de teleurstelling en boosheid geprojecteerd kan worden. Zodat we niet de weg naar binnen hoeven gaan, om stil te staan bij de diepere oorzaak van al die zelf opgeroepen frustratie.

Ego-tijdperk

Toen ik opgroeide, in de jaren ’60 en ’70, was het vooral gemeenschapszin waarop mensen vertrouwden en hun leven bouwden. De massa-destructie van de oorlog lag nog vers in het geheugen. En hele generaties hadden ontdekt hoe samenwerken en op elkaar kunnen vertrouwen, in moeilijke tijden, levensreddend kon zijn. Ook in de periode van de wederopbouw bleef dat lange tijd het collectieve richtsnoer. Want in onderlinge samenwerking kan veel meer worden bereikt, uiteindelijk voor iedereen, dan met een kille ieder-voor-zich-mentaliteit.

Echter, onder invloed van allerlei sociologische en culturele invloeden, degenereerde dat vertrouwen op de kracht van het gezamenlijke, in hoog tempo naar het bevredigen van behoeften die sterk individueel gericht zijn. Het ego-tijdperk brak aan. Vanaf de jaren 70 kreeg het individu steeds meer behoefte zich te onderscheiden van z’n medemens. Het ontaardde in een collectieve verheerlijking van het kleine-Ik. Ofwel de ongeremde cultivering van het menselijk ego.

Obsessief

Inmiddels zijn we 45 jaar verder in de tijd, en is goed zichtbaar hoe ver de woekering van dat menselijk ego op alle denkbare niveaus is doorgedrongen. Bijvoorbeeld sociale media lenen zich bij uitstek om het kleine-Ik zorgvuldig uit te vergroten en op te poetsen. De vroegere voldoening van werken aan gezamenlijke idealen, ook en juist wanneer daarvoor offers moesten worden gebracht, heeft plaats gemaakt voor het zoeken van schrale en  kortstondige schijnbevrediging van alsmaar nieuwe kicks en trends. In het najagen daarvan raakt het Wij steeds verder uit beeld. En draait alles om de obsessie van wat het ego allemaal denkt nodig te hebben. Denkt, omdat het in werkelijkheid meestal blijkt te berusten op een vergissing. In dat collectieve egocentrische waandenken, klinkt de stem van ons menselijk geweten steeds zachter.

Geweten

Geen wetenschapper heeft ooit kunnen uitvinden wat het menselijk geweten eigenlijk is. Maar het was en is niets minder dan het feilloze geheugen van de Ziel, die in ons mensen verblijf houdt. De goddelijke aanwezigheid die diep van binnen huist in ieder mens. Hoe hard we ook proberen haar te negeren en overschreeuwen, de ziel weet feilloos van elke gebeurtenis in ieder mensenleven. Elke keuze die ooit gemaakt is, hoe ingrijpend of onbetekenend die ook lijkt. Hoe constructief of destructief ook, voor onszelf en de ander. In onze ziel sluimert de heilige bewaardoos van zowel het beste als het slechtste dat we als mens ooit teweeg hebben gebracht, gedurende onze levensdagen. Bij elk voornemen tot handeling of actie, echoot daarin mee alle voorgaande keren dat we voor een soortgelijk besluit stonden.

Omdat de goddelijke ziel in ons mensen nooit helemaal tot zwijgen kan worden gebracht, zal er altijd tenminste een besef zijn van wat goed is om te doen, en wat verkeerd. Of we daar vervolgens naar handelen is een tweede. Maar het besef is voelbaar aanwezig als een weten. Zelfs wanneer niemand ons ter verantwoording roept, is er de soms bijna onhoorbare stem van dat geweten. Dat vanuit de stilte zachtjes tot ons spreekt.

Geschenk

Elke dag opnieuw zijn wij mensen in de gelegenheid te kiezen tussen het goede of het verkeerde. Hoe meer ik-gericht ons handelen is (geraakt), hoe meer dat de ander tekort zal doen. En misschien nog wel erger, hoe meer we vervreemd raken van ons eigen, innerlijk kompas. Maar het werkt gelukkig ook andersom. Hoe meer oog we hebben voor wat de ander beweegt en wat die eigenlijk van ons nodig heeft, hoe dieper de voldoening zal zijn. Want juist in Geven, vanuit de verbinding met ons hart, ligt het grootste geschenk besloten dat we kunnen ontvangen.

Tekst: Herbert van Weerdenburg