Ver terug in de geschiedenis, veel verder dan een mens kan reiken. Toen was het heelal nog één, vol van een samengebalde kracht, die alles omvatte in haar schoot.

Ik was daarin; jij was daarin; maar wij waren nog niet gescheiden van elkaar. Alle mensen waren er in, maar nog ononderscheiden van elkaar. De zon was er in en alle sterren, de melkweg en de sterrennevels, maar nog ononderscheiden van elkaar. Alles zonder onderscheid van zon en maan en aarde en van jou en mij.

Alles was nog één en zonder onderscheid, totdat de kracht zo overvloedig werd dat zij zich deelde als een eerste levenskern. Zo bracht zij voort de allerkleinste deeltjes – en later zonnen en planeten, cellen, organellen, organen, organismen. Maar zo dat aller samenhang nog zou getuigen van hun ongedeelde oorsprong.

Daarom kan ieder pas gelukkig zijn als wij houden van elkaar en daarnaar leven.

Ver terug in de geschiedenis, diep weggezonken in het geheugen van de aarde, toen die nog een kolkje was in een lange sluier gas, afhangend van de jonge zon. Toen verdichtte zich de aarde tot een druppel, een ziedende, bolronde reuzedruppel, die langzaam koelend, hier en daar begon te stollen tot gesteente.

Daarin was ik begrepen, en jij en wij, nog niet gescheiden van elkaar. Lang heeft het leven moeten wachten tot wateren en aarde zich van elkaar gescheiden hadden onder de lucht daarboven.

TOEN BRACHT ZIJ LEVEN VOORT, DE AARDE. Onooglijk nog voor ogen die nog niet bestonden, maar kostbaar, onmiskenbaar leven toch, dat onweerstaanbaar zich heeft doorgezet in vormen en formaten allerlei tot op de dag van heden. Tot op hier, tot jou en mij en ons en alle groen en alle dieren. Altijd nog in stand gehouden door water, aarde en de lucht daarboven, verlicht, verwarmd en aangetrokken door de zon.

Daarom kan alles pas in orde komen als alles eerbied heeft voor alles en wederkerig in zijn wezen laat, zich deel wetend van het grote geheel en daarnaar leven wil.

Het onderscheid bracht scheiding, goed en kwaad, want alles bleef betrokken op elkaar, op ongenade of genade, maar ook op hoop van zegen. Sterexplosies, zwarte gaten, zonnevlekken, maansverduistering, vloedgolven, orkanen, bevingen, leeuw en lam en ziektekiemen, mens en mens en man en vrouw, slavin, roofridder, zakenman, gebrekkigen en schijnbaar sterken.

Ver vooruit in de geschiedenis, veel verder dan een mens voorzien kan. Na al wat alles elkaar zal hebben aangedaan wat nooit meer ongedaan gemaakt kan worden. Alles wat heeft deelgehad aan het bestaan en het bestaan gedeeld heeft, jij en ik, dood en leven, goed en kwaad.

Iets zal het zijn van het geheel waardoor het ooit is voortgebracht en dat het altijd zal blijven vormen, ondanks alles toch nog altijd één. Zoals het was in den beginne, en blééf, uiteindelijk. En blijft, ook in de kwaadste dagen.

Tekst: Bernard Huijbers (1993)