Afgelopen week was ik in een grote kringloop winkel. Niet omdat ikzelf iets nodig had maar om iets af te geven voor een goede vriend, die daar hoofd van de boekenafdeling is. Eriks toko lijkt op een bibliotheek, waarin tientallen meters boeken keurig staan opgesteld in houten rekken. Het is zijn taak er voor te zorgen dat de vele dozen met boeken die naar de winkel worden gebracht, netjes gesorteerd op de juiste plank terecht komen. Zodat iemand die een boek over de Neandertalers zoekt, zich niet eerst door de biologie van het menselijk lichaam, of obscure science-fictionboeken hoeft heen te worstelen.

Op dezelfde afdeling staan ook een paar bakken met gebruikte CD’s. Maar die vallen niet onder zijn bevoegdheid. Muziek is een wereld apart en bepaalde disciplines moeten gescheiden blijven, zelfs in een kringloopwinkel. Temidden van de vele boekenrekken, staat een klein houten tafeltje met twee stoelen. Zoals in elke bibiliotheek is voorzien in de gelegenheid om even te zitten bladeren in een boek naar keuze. Het was mij al eerder opgevallen dat er nooit iemand aan dat tafeltje zit. Althans niet de keren dat ik temidden van zijn boeken met Erik stond te praten. En dus nam ik dit keer maar zelf plaats op een van de stoelen. Zodat ik eens rustig om me heen kon kijken naar mensen die aan het sneupen waren naar boeken van hun gading.

Brutaal…

Even later kwam Erik er zelf bij zitten, voor eventjes. Want personeel behoort geen gebruik te maken van voorzieningen die voor klanten bestemd zijn. Tenminste, daar werd hij brutaal op geattendeerd door een man, die liever had gezien dat de jaren 60 en 70 nooit voorbij waren gegaan. Moeiteloos stond Erik zijn stoel aan hem af, terwijl wij intussen gewoon door praatten over onderwerpen die toch niemand begrijpt. En die daarom nauwelijks als vertrouwelijk kunnen worden beschouwd. Bovendien kunnen wij als het moet binnen 10 seconden 3 verschillende onderwerpen behandelen, dankzij een soort geheimtaal die we samen hebben ontwikkeld.

De relatief jonge hippie van mid vijftig die was aangeschoven, had 2 cd’s uit een bak gevist waarmee hij overduidelijk niet tevreden was… “Heb je geen echte blues voor mij…”, beet hij Erik onvriendelijk toe. “Want het is weer niks vandaag, wat je in jouw bakken hebt zitten…!” Tja, je weet dat ik niet over de cd’s ga, zei Erik. In een flits voelde ik dat de teleurstelling van deze humeurige man zich niet beperkte tot de kwaliteit van blues-cd’s, maar zich uitstrekte over praktisch alle denkbare gebieden van het leven. In elk geval van zijn leven. In feite kwam het hem niet slecht uit dat de bluesbak al eerder vandaag was geplunderd, want nu kon hij zijn onvrede tenminste ergens op richten.

Opmonteren…

Om Erik enigszins te ontlasten, besloot ik de ontevreden man een beetje op te monteren door ineens het boek omhoog te houden, waar ikzelf zojuist toevallig tegen aan gelopen was. Puur als bewijs dat de chef boeken soms echte pareltjes in zijn schappen heeft staan. Ik zag hoe de korzelige negativo even tijd nam om de titel van het mooie en kleurrijk vorm gegeven boek te doorgronden: ‘De Overgang als Bron van Kracht’. Aangezien het woord vrouwen op de kaft ontbreekt, zou het in theorie ook over mannen kunnen gaan. Veel mannen beleven immers ook een soort van menopauze, al voltrekt die zich langs heel andere lijnen dan bij vrouwen. En dus hoopte ik dat hij zich liet verleiden tot een zijpaadje over mannen en hun overgang. Temeer omdat mij het sterke gevoel bekroop dat hij er zelf midden in zat.

Maar daarmee had ik toch buiten de waard gerekend, want een doorgewinterde pessimist als hij, geeft zich natuurlijk niet zomaar gewonnen. Nadat hij zich had herpakt, volgde een statement. Nu zijn wij wel wat gewend, maar dit was er eentje die zelfs Erik en ik even op ons moesten laten inwerken, om de reikwijdte er van te doorgronden. “We zijn met z’n allen finaal kapot gegaan aan de totale feminisering in dit land, die is veroorzaakt door de linkse kerk…!” Om tijd te winnen, vroeg ik of hij het nog even wilde herhalen omdat ik voorwendde dat ik zijn woorden niet helemaal goed verstaan had. Dat was geen probleem voor hem, en dus rolde nogmaals dezelfde volzin bits over zijn samen geknepen lippen. Uitdagend keek hij ons aan, om te zien of wij hier van terug hadden.

Klaagzang

Terwijl ik het boek langzaam liet zakken om hem niet nog meer van streek te maken, keek Erik bijna radeloos om zich heen hoe hij deze situatie een beetje in banen zou kunnen leiden. Kennelijk wist hij uit ervaring dat als deze man eenmaal begon aan zijn klaagzang, we onze borst nog nat konden maken. Aangezien wij doorgaans telepathisch communiceren, zag ik dat Erik zich vooral zorgen maakte om mij. Want hoe zou dit verder moeten, met aan de ene kant van het kleine tafeltje een geoefende zwartkijker, en aan de andere kant een uitgesproken optimist. Als het tegen zit, kunnen die samen wel een paar uur vullen. Zag ik hem denken.

Omdat ik daar zelf al helemaal geen trek in had, besloot ik tot een verrassende zet. Zonder inleiding of toelichting vroeg ik de jonge hippie plompverloren: “Ben je getrouwd geweest?…” Een simpele vraag, waarmee ik in één keer een sprong maakte naar de kern van zijn onvrede. “Nou…, getrouwd wil ik niet direct zeggen” reageerde hij. “Maar ik heb genoeg vriendinnen gehad…! En ik heb er mijn buik meer dan vol van.” Toch zag ik dat hij door deze vraag van zijn stuk was gebracht, en in zijn hoofd koortsachtig zocht naar hoe hij het legen van zijn volle rugzak met onvrede in meer algemene termen kon hervatten.

Glimlach

Weet je wat, zei Erik, jullie praten nog maar even door samen, want ik moet nodig weer aan het werk. “Ho ho…!”, reageerde ik adrem. “Ik dacht dat wij nog even iets zouden afspreken…?” En dus stond ik op om samen met hem de bibliotheek te verlaten. Natuurlijk vergat ik niet de ontevreden man een hand te geven. “Jammer dat ik nu geen tijd voor je heb, maar we praten een volgende keer verder”, zei ik vriendelijk. Ik zag een glimlach op zijn gezicht verschijnen, want daar was hij natuurlijk altijd voor in. Verder praten over zijn stokpaardje, de feminisering. Die in zijn mensbeeld dit land op de rand van de afgrond heeft gebracht.

Terwijl ik opgewekt mijn mooie boek afrekende bij de kassa, stond hij ineens achter me met zijn blues-cd’s. “Fijne dag nog”, zei ik, toen ik mijn portemonnee weer in mijn jas stopte. “Ja, jij ook!”, grijnsde hij.

Herbert