Als er iets is wat de afgelopen vijf maanden van collectieve beperkingen in gang is gezet, dan is het wel een toename van empathie. Het aangeboren vermogen van de mens om zich te verplaatsen in de gevoelsbeleving van een ander. Niet bij iedereen is de empathische kwaliteit even sterk ontwikkeld, omdat het bedekt kan raken door eigen onverwerkte ervaringen van pijn en verdriet. Maar zolang het niet vervormd is geraakt, is het in aanleg bij ieder mens aanwezig. Zoals we goed zien bij kleuters. Als een kind valt en moet huilen omdat het zich bezeert, is er als vanzelf altijd een vriendje of vriendinnetje dat beschermend een arm om haar heen slaat. Als liefdevol gebaar van meeleven en troost.

Bij volwassen mensen is de ontwikkeling van het vermogen tot empathie vaak beslissend als het gaat om de kwaliteit van hun relaties en vriendschappen. Omdat het helpt verbindingen te verdiepen. Elkaars pijn kunnen invoelen, bekrachtigt het onderling vertrouwen tussen twee mensen. “Huil maar lieverd, ik zie jouw pijn, en snap dat je verdrietig bent…” In die eenvoudige erkenning en bevestiging ligt het grote geheim van kwalitatieve betrokkenheid van mensen op elkaar. En daarmee van hun onderlinge verbondenheid.

Moeiteloos verstaan

Afgelopen week vertoefde ik op een rustig terrasje in een bosrijke omgeving. Niet alleen, maar met een toegenegen vriendin met wie ik veel gemeen heb. En met wie een diepe vriendschap is gegroeid in de afgelopen jaren, op basis van elkaar moeiteloos verstaan, en er onvoorwaardelijk voor elkaar zijn als het nodig is. Ter sprake kwam een ingrijpende ervaring die ik recentelijk had, en waarbij ik een geliefde verloor. Niet aan de dood, maar juist aan het leven.

Terwijl we daarover diepgaand in gesprek waren, vergaten we volledig dat er om ons heen nog andere tafeltjes bezet waren met recreanten. Gelukkig was de ‘virus-afstand’ zo gekozen, dat er voldoende privacy ontstond. Het oprecht delen van ervaringen zoals een ingrijpend verlies, maakt altijd veel in ons los. Alleen al omdat ieder mens ervaringsdekundig is op het gebied van gebeurtenissen die gaan over verlies. Zo ook bij mijn gesprekspartner, die niet lang geleden haar eigen moeder verloor.

Tranen…

Ik weet niet precies meer wat ik vertelde, maar op zeker moment zag ik dat m’n vriendin geëmotioneerd raakte, haar tranen niet meer kon bedwingen. Puur vanuit haar compassie met wat ik deelde vanuit mijn verlieservaring. Na afloop van onze ontmoeting realiseerde ik me pas hoe cruciaal haar tranen op dat moment voor mij waren geweest. Een dieper mee leven is niet mogelijk. Vanuit compassie en mededogen samen kunnen zijn, is iets wat alleen mogelijk is wanneer de energie van het Hart is geopend. Niet geblokkeerd wordt door de dominante energie van het Hoofd, dat liefst denkt in remedies of oplossingen.

Later die dag realiseerde ik me dat het gedurende mijn leven slechts twee keer gebeurd is dat iemand moest huilen om iets wat ik in vertrouwen deelde. Beide keren ging het om de impact van een persoonlijk verlies. Twee keer was het een vriendin die vanuit compassie reageerde met haar eigen emotie. En beide keren maakten diepe indruk op me. Alleen al omdat ik deze manier van mee leven niet kende vanuit mijn eigen, toch ruime arsenaal aan vaardigheden op het gebied van inleven en mee leven.

Aangeleerd

Sterker nog, in opleidingen voor therapeutische beroepen werd lange tijd juist aangeleerd dat de eigen gevoelens, laat staan emoties, een adequate hulpverlening in de weg staan. “Het is niet goed wanneer je mee gaat huilen, wanneer je cliënt haar of zijn emoties de vrije loop laat, omdat alles in zo’n therapeutische setting moet gaan om maximale ruimte voor de cliënt. Het ‘onthullen’ van eigen emoties kan dat proces blokkeren. Niet doen dus!”

En dus hebben veel mensen in therapeutische en pastorale beroepen geleerd vooral te vertrouwen op hun hoofd als ‘verbanddoos’, wanneer het er om gaat mensen bij te staan op momenten van groot verdriet. Op zichzelf is daar niets mis mee. Maar het is en blijft een smal en onvolledig intstrumentarium. Dat vaak maar deels in staat is de pijn van de ander voldoende te erkennen en bevestigen.

Willem Barnard

Vanmorgen keek ik naar een vraaggesprek met dichter en schrijver Benno Barnard. Zoon van de in protestantse kringen bekende theoloog, predikant en tekstdichter Willem Barnard. Die samen met Huub Oosterhuis geldt als de belangrijkste religieuze tekstdichter sinds de jaren ‘60. Benno sprak over het aangrijpende verlies van zijn dochter Anna, in 2016. Als gevolg waarvan hij een jaar lang niet meer in staat was te schrijven. Omdat hij sprakeloos was van verdriet.

In dat gesprek kwam een ervaring voorbij die zijn vader Willem ooit had gehad als dominee, na het dramatisch overlijden van een kind van een echtpaar uit zijn gemeente. Bovenop de verschrikking van zo’n verlies, kwam dat de vader z’n eigen kind, achteruit rijdend met de auto op het eigen erf, had dood gereden…. Erger kan een verlieservaring niet zijn. Voor pastorale begeleiding rond de uitvaart van de kleuter, werd een beroep gedaan op hun dominee. Terwijl Willem Barnard bekend stond als een begenadigd spreker, bleek hij op dat meest indringende moment van pastorale nabijheid niet in staat was zelfs maar enkele woorden te vinden die misschien konden strekken tot troost. Tot z’n eigen wanhoop was hij niet verder gekomen dan letterlijk mee huilen met de ontroostbare ouders.

Dieptepunt…?

Volgens Benno Barnard heeft zijn vader die ervaring lange tijd beschouwd als het dieptepunt van zijn pastorale loopbaan. Maar tot grote verbazing van de predikant zelf, had hij jaren later van de ouders gehoord dat juist die emotionele manier van aanwezig zijn bij hun verdriet, hen het meest geholpen had van alles wat aan troost op hun weg was gekomen. Een helper die even geen woorden had, geen “vrome praatjes”, maar die vanuit compassie en mededogen kon beschikken over zijn eigen gevoelens en emoties. Met andere woorden, geen tekort schieten maar juist een toppunt van pastorale nabijheid en verbinding in de ontreddering van intens verdriet.

Veel therapeuten, pastores, artsen, verpleegkundigen en andere hulpverleners zijn bang voor hun eigen emoties. Omdat hen ten onrechte is geleerd dat deze beslist geen rol mogen spelen in hun professionele beroepsuitoefening. Volgens Pieter Sluis, die vele jaren nascholing verzorgde voor huisartsen, en die daarnaast het eerste bijna-thuis-huis (hospice) oprichtte in Nieuwkoop, is het precies het “weg duwen” van emoties dat niet alleen leidt tot een kwalitatief ondermaatse hulpverlening. Maar op de lange duur onvermijdelijk tot burnout van veel werkers in de zorg.

Uitschreeuwen…

In een leerzaam vraaggesprek dat ik ooit met hem had, vertelde Pieter hij hoe hijzelf als jonge huisarts had ervaren hoe noodzakelijk en weldadig het was zijn eigen verdriet uit te kunnen schreeuwen. Daartoe uitgenodigd tijdens een workshop van de bekende psychiater Elisabeth Kubler-Ross. De eigen dus persoonlijke ervaring die daaraan vooraf ging bij Pieter en zijn vrouw, was de wiegendood van hun tweede kindje. “Ik kon pas echt huisarts zijn voor mensen, nadat het matje van zekerheid en controle finaal onder mijn eigen leven vandaan was getrokken…!”

Taal van het hart

Gelukkig wordt zijn inzicht inmiddels gedeeld door talloze hulpverleners en werkenden in de zorg. Juist in relaties waarin het gaat om menselijke nabijheid, speelt uiteindelijk die ene vraag. Namelijk of we in staat zijn tot compassie en mededogen. Omdat alleen die hoge kwaliteit van menselijkheid wordt verstaan als een maximum aan verbinding met de taal van ons hart. En dus ook met het hart van de ander in diens lijden.

Tekst: Herbert van Weerdenburg